Verhuurderheffing bij mede-eigendom in strijd met gelijkheidsbeginsel
Twee mannen bezitten 40 woningen, waarvoor een van hen in 2014 verhuurderheffing betaalt. De ene man krijgt 35 WOZ-beschikkingen, de andere krijgt er 5. Omdat de verhuurderheffing aansluit bij deze WOZ-beschikkingen, krijgt de mede-eigenaar met de 35 WOZ-beschikkingen een grondslagvermindering voor 10 woningen. De mannen hebben daardoor samen slechts 15 woningen grondslagvermindering. Zouden zij ieder 20 woningen in volle eigendom bezitten, dan hadden zij ieder een grondslagvermindering van 10 woningen gekregen. Dit onderscheid tussen volle en mede-eigenaren is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus Rechtbank Noord-Holland.
De rechtbank verwijst voor zijn oordeel naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018.
De Hoge Raad oordeelde toen dat het systeem waarbij de aanslag verhuurderheffing vanuit praktische uitvoerbaarheid wordt opgelegd aan degene die de WOZ-beschikking ontvangt, niet zover mag gaan dat dit leidt tot willekeurige uitkomsten. Ook oordeelde de Hoge Raad dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat de mede-eigenaar die wordt aangeslagen, de verhuurderheffing naar rato van de mede-eigendom zonder meer kan verhalen op de andere mede-eigenaren.
De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen anders te behandelen als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Die rechtvaardiging ontbreekt in de onderhavige zaken.
Let op
De verhuurderheffing is op 1 januari 2018 gewijzigd, waardoor particuliere verhuurders deze heffing inmiddels mogelijk niet meer hoeven te betalen. Per die datum:
- is de heffingsvrije voet omhoog gegaan van tien naar vijftig woningen;
- geldt er een vrijstelling voor rijksmonumenten;
- is de maximale grondslag voor de verhuurderheffing een WOZ-waarde van € 250.000.