Geen belastingrente over periode dat Belastingdienst over betaalde belasting beschikt
Aan een vennootschap is een derde voorlopige aanslag Vpb 2016 opgelegd (met dagtekening 2 december 2017), naar een te betalen bedrag van € 203.627. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht naar een bedrag van € 8.733. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de beschikking belastingrente in beroep verminderd tot een bedrag van € 3.122 wegens (kortweg) beleid waaraan de vennootschap het vertrouwen mocht ontlenen. Er zou haar namelijk geen belastingrente in rekening worden gebracht over de periode waarin de Belastingdienst de beschikking had over de gelden, die de vennootschap over het jaar 2016 aan Vpb verschuldigd is.
De rechtbank heeft naar het oordeel van Hof ’s-Hertogenbosch een door haar aangeduide ‘lijn’ terecht als begunstigend beleid aangemerkt. De beleidsregel is behoorlijk bekendgemaakt bij een brief van 1 maart 2017 van de staatssecretaris van Financiën en is niet ingetrokken met de beantwoording van Kamervragen van 7 juni 2017. De beleidsregel is derhalve niet beëindigd voorafgaand aan de dag waarop de derde voorlopige aanslag is opgelegd (2 december 2017), waarbij de onderhavige belastingrentebeschikking is gegeven. Er is sprake van gewekt vertrouwen. Het hof laat de vermindering in stand.
Tip
Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat er onder omstandigheden te veel belastingrente in rekening wordt gebracht. Ook kan het voorkomen dat er te weinig belastingrente wordt vergoed. Bijvoorbeeld bij een btw-teruggaaf. Onder omstandigheden bestaat recht op zogenoemde Irimie-rente.