Hoe moeten rechters in ontvankelijkheidskwesties aanbieding aangetekende post controleren?
Bij uitspraak van 28 november 2019 heeft Rechtbank Den Haag een beroep niet-ontvankelijk verklaard, dat een man (belanghebbende) had ingesteld. De reden hiervoor is dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald. De rechtbank heeft deze beslissing onder meer gebaseerd op haar oordeel dat de man bij aangetekende brief van 20 september 2019 eraan is herinnerd dat hij griffierecht moet betalen. Uit informatie van PostNL blijkt ook dat die brief op 24 september 2019 is uitgereikt. De man heeft tegen die uitspraak verzet geboden. Zijn gemachtigde voerde daarbij aan dat hij en de man de brief van 20 september 2019 niet in ontvangst hebben genomen.
De Hoge Raad licht toe hoe rechters in ontvankelijkheidskwesties de aanbieding van aangetekende post moeten controleren. Met inachtneming van de gegeven richtlijnen is de Hoge Raad van oordeel dat de rechtbank de man in haar uitspraak van 28 november 2019 niet heeft geïnformeerd over alle gegevens van PostNL waarover zij beschikte. Daaruit heeft zij afgeleid dat de brief van 20 september 2019 op regelmatige wijze op het adres van zijn gemachtigde is aangeboden en in ontvangst is genomen. Op het verzet heeft de rechtbank de man geen kennis laten nemen van de gegevens van PostNL en hem niet de gelegenheid geboden om zich daarover uit te laten. Dit is in strijd met de goede procesorde. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een andere rechtbank voor een hernieuwde beoordeling van het verzet.
Tip
Wordt jouw cliënt geconfronteerd met een niet-ontvankelijkheidsverklaring? Ga dan na of dit terecht is.