DCF-methode voor waardering van accountants- en administratiekantoren (1)
Bij een koop c.q. overname van een accountants- of administratiekantoor, wil veelal zowel de verkoper als de koper vaststellen wat de waarde van de betreffende onderneming is, voordat een prijs (of openingsbod) wordt ‘genoemd’. Maar waarde is nu eenmaal een subjectief begrip, dat deels wordt bepaald door het persoonlijk perspectief. Om toch tot een enigszins objectieve waardering te komen, worden er in de praktijk veel methodes gebruikt die een bedrijfswaardering moeten standaardiseren. Veel van deze waarderingsmethodes nemen vooral de historische (boekhoudkundige) cijfers tot uitgangspunt. Deze cijfers komen uit de administratie en de jaarrekeningen van het kantoor. Voor de berekening van de waarde wordt dan gebruik gemaakt van vuistregels en historische cijfers.
Vuistregels zijn eenvoudig, maar er kleven ook nadelen aan, zeker vanuit het perspectief van de koper. Zo kan er discussie zijn over het nettowinstbegrip, grondslagen en normalisaties. Veelal worden deze – in eerste aanleg – becijferd in het voordeel van de verkoper. Vuistregels zijn gebaseerd op historische cijfers, maar winsten uit het verleden bieden nu eenmaal geen garantie voor de toekomst. Zeker als de verkoper zeer bepalend is geweest voor het commerciële succes van de onderneming. Vuistregels gaan voorbij aan de specifieke kenmerken van een onderneming, zoals hoe afhankelijk is het bedrijf van de eigenaar, is er veel of weinig vreemd vermogen in het bedrijf of zijn er op korte termijn grote investeringen nodig?
Voorgaande nadelen spelen vooral voor de koper, maar ook voor de verkoper kan een vuistregel nadelig uitpakken. Dit speelt vooral bij snelgroeiende kantoren. In het verleden waren de winsten laag, omdat het kantoor in de opstartfase verkeerde. Maar de komende jaren, als het kantoor op stoom komt, zal de winst naar verwachting veel hoger zijn. Een vuistregel houdt met dit toekomstscenario geen of weinig rekening en dus pakt de waarde mogelijk te laag uit.