Inbreng economische eigendom in een vennootschap
Bij de oprichting van een maatschap verbinden alle vennoten zich om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te verdelen. De inbreng kan bestaan uit geld, goederen, genot van goederen of arbeid. Bij het eindigen van de vennootschap zal er een slotverdeling opgemaakt worden, waarbij de winst wordt verdeeld. Indien er goederen zijn ingebracht, kunnen deze na verloop van tijd in waarde zijn gestegen of gedaald. Voor wiens rekening en risico komt deze waardeverandering?
Indien er goederen zijn ingebracht in de maatschap, is het de vraag of er sprake is van inbreng van de economische eigendom, zodanig dat dit een recht op een aandeel in de waardestijging van het goed meebrengt. Dit is afhankelijk van het samenstel van verbintenissen dat tussen de betreffende partijen tot stand is gekomen. De uitleg van betreffende verbintenissen is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. Een bepaling waaruit blijkt dat het goed op de balans van de vennootschap wordt geactiveerd, kan een aanwijzing zijn dat de economische eigendom is ingebracht en dat de waardeverandering voor rekening en risico van de vennootschap komt.
Bron: ECLI:NL:HR:2022:852