Overeenkomsten windmolenparken blijken windeieren
Enkele investeerders sluiten in 2011 met een bv een vaststellingsovereenkomst voor de ontwikkeling van windmolenparken. Zij maken daartoe € 2,5 miljoen over aan deze bv. In 2012 besluiten zij een andere invulling te geven aan hun afspraak. De nieuwe afspraak leggen zij vast in een tweede vaststellingsovereenkomst. In 2013 besluiten de investeerders en de bv hun samenwerking te beëindigen. Dit leggen zij vast in een derde vaststellingsovereenkomst. Daarin wordt onder meer bepaald dat de bv binnen 30 dagen na het sluiten van dit contract, € 575.000 moet overmaken aan de investeerders. Als zij dat twee dagen te laat doet, eisen de investeerders directe betaling van het volledige geïnvesteerde bedrag.
Deze zaak ligt momenteel bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal (A-G) Hartlief heeft onlangs zijn conclusie uitgebracht. Hij acht de directe opeising door de investeerders naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Partijen zijn beide professionals die met hun advocaten tot in de detail hebben onderhandeld over de inhoud van de vaststellingsovereenkomsten. Volgens de A-G moet in dat geval bij de uitleg van de overeenkomsten de nadruk liggen op de taalkundige betekenis van de bewoordingen. In de derde overeenkomst staat dat bij niet tijdige of niet volledige betaling door de bv de investeerders directe en volledige betaling kunnen eisen. Er is daarbij niets vastgelegd over het belang van de duur van de overschrijding van de betalingstermijn. De bv motiveert onvoldoende dat partijen een andere uitleg bedoelden. Het wachten is nu op het oordeel van de Hoge Raad.