Schoonmaakbedrijf krijgt factuur schoonmaakwerk hotel niet betaald wegens COVID-19
Een schoonmaakbedrijf zou gedurende een overeengekomen periode werkzaamheden verrichten voor een hotel. Dit hotel besloot echter na de COVID-19-uitbraak om de schoonmaakwerkzaamheden zelf te gaan verrichten, waardoor het de diensten van het schoonmaakbedrijf enige tijd niet nodig zou hebben. Het schoonmaakbedrijf maakt vervolgens aanspraak op ruim € 200.000, ondanks het feit dat er geheel geen werkzaamheden zijn uitgevoerd bij het hotel. Bij de rechter werd de vraag neergelegd of nu overeengekomen is dat het hotel een vast bedrag per maand zou betalen – of dat het alleen moet betalen voor daadwerkelijk verrichte prestaties?
De rechter oordeelt dat het hotel – zelfs wanneer er een vast maandbedrag overeengekomen zou zijn – waarschijnlijk met succes een beroep zou kunnen doen op artikel 6:258 BW: onvoorziene omstandigheden. Dus zelfs als partijen een harde betalingsverplichting met elkaar overeengekomen zijn, dan nog is het mogelijk om deze op grond van onvoorziene omstandigheden (COVID-19) te wijzigen of (gedeeltelijk) te ontbinden. Deze zaak maakt duidelijk hoe rechters de risico’s verdelen van de COVID-19-uitbraak. Op grond van onvoorziene omstandigheden kan een rechter de gevolgen van een overeenkomst wijzigen. Deze omstandigheden moeten dan wel zodanig zijn dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat de overeenkomst ongewijzigd in stand gelaten wordt.
Een beroep op onvoorziene omstandigheden, door juristen ook wel ‘imprévision’ genoemd, is gebaseerd op een wettelijke bepaling (artikel 258 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek).