Voor wie komt het risico dat camerabeelden niet konden worden bekeken?
Een werknemer van PostNL werd ontslagen wegens de diefstal van pakketinhoud. PostNL stelde dat dit bewezen kon worden met camerabeelden. Omdat deze beelden op een specifiek, beveiligd programma draaien, leverde PostNL een USB-stick aan met daarop zowel de beelden als de benodigde software. De advocaat van de werknemer slaagde er echter niet in om de beelden voorafgaand aan de zitting te bekijken. Hij stelde daarom dat het beginsel van hoor en wederhoor en het principe van equality of arms (conform artikel 19 Rv en artikel 6 EVRM) waren geschonden.
Volgens de advocaat mocht het Gerechtshof zijn oordeel niet op deze beelden baseren. De werknemer werd immers pas tijdens de zitting met de inhoud geconfronteerd, waardoor hij vooraf geen ontlastend bewijs in de beelden kon opsporen. Indien het hof de beelden toch had willen meewegen, had de werknemer de gelegenheid moeten krijgen om deze alsnog samen met zijn advocaat te bestuderen, bijvoorbeeld door middel van een schorsing of een nadere akte.
De Hoge Raad volgt deze redenering. Nu het hof wist dat de werknemer de beelden om technische redenen niet vooraf had kunnen bekijken, had het hof maatregelen moeten treffen om de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms te waarborgen. De werknemer had alsnog de kans moeten krijgen de beelden te bekijken en zich daarover uit te laten, zeker omdat het uiteindelijke oordeel van het hof grotendeels op dit bewijsmateriaal was gebaseerd.