Aanzegvergoeding blijft gemoederen bezighouden
Een werkneemster is voor bepaalde tijd in dienst. Haar arbeidsovereenkomst eindigt op 6 mei 2017. Op 30 maart 2017 vindt er een gesprek met haar plaats over verlenging (onder dezelfde voorwaarden). De werkneemster stelt dat er geen duidelijkheid is ontstaan en laat op 24 april 2017 weten dat zij niet wil verlengen. Ook geeft zij te kennen dat zij aanspraak wil maken op de aanzegvergoeding. De regeling over de aanzegvergoeding is bedoeld om een werknemer duidelijkheid te geven over het al dan niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Volgens de werkgever was een verlenging afgesproken, maar de werkneemster bestrijdt dit.
Werkgevers zijn met ingang van 1 januari 2015 verplicht om hun medewerkers met een contract voor bepaalde tijd – dat ten minste zes maanden betreft – minimaal een maand van tevoren schriftelijk te laten weten of hun contract verlengd wordt of niet. Komt de werkgever deze verplichting niet of niet tijdig na, dan heeft de werknemer recht op een aanzegvergoeding. Die is gelijk aan het loon over de periode dat de werkgever te laat is met de aanzegging, maar is wel gelimiteerd tot één maandsalaris.
Commentaar
De werkgever had de ontstane onduidelijkheid in deze zaak dus (gemakkelijk) kunnen voorkomen door de inhoud van het gesprek op 30 maart 2017 schriftelijk vast te leggen. Het hof volgt hier – net als de kantonrechter – de bedoeling van de wet. Van daaruit wordt expliciet schriftelijkheid vereist over de voortzetting of beëindiging van het dienstverband, om onduidelijkheden te voorkomen. De rechter oordeelt in dit verband dan ook dat de rechtszaal geen ruimte aan de werkgever biedt om met aanvullende bewijzen van zijn stelling te komen (bijvoorbeeld door het horen van getuigen). De aanzegvergoeding is verschuldigd.