Wel of geen deal na overmatig drankgebruik?
Een bv en een exploitatie-bv zijn elk via een Franse vennootschap voor de helft eigenaar van een golfbaan in Frankrijk. Tijdens een diner, waar de drank rijkelijk vloeit, wordt de verkoop van de helft van deze golfbaan van de bv aan de exploitatie-bv besproken. Dit gesprek vindt plaats tussen een man die namens de bv handelt (persoon X) en een andere man die optreedt namens de exploitatie-bv dan wel voor zichzelf (Y). Maar is daarmee nu ook echt een overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan de bv haar aandeel in de golfbaan heeft verkocht aan de exploitatie-bv?
Aan het hof is de vraag voorgelegd of uit het gedrag van Y aan het einde van het diner volgt dat hij zodanig onder invloed van alcohol was dat er sprake was van een tijdelijke stoornis van zijn geestesvermogens. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de verklaring van Y volgt namelijk dat Y vrij snel na zijn handdruk met hem voor de eerste keer naar het toilet ging, met een toen al waggelende gang. Een medewerkster bevestigt dit. Vervolgens bezocht Y het toilet al vrij snel opnieuw. Na terugkeer van dit bezoek kon Y de tafel niet terugvinden waar hij met B zat te dineren. Direct daarna vonden de verdere gebeurtenissen plaats. Zo verklaarde Y expliciet niet van tatoeages te houden, maar onder invloed van drank heeft hij de serveerster op haar tatoeage gekust.
Rechtshandeling vernietigbaar
Het tijdsverloop tussen de handdruk enerzijds en de gedragingen die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake was van een tijdelijke stoornis, was kort. Ook tijdens de handdruk ter bekrachtiging van de overeenkomst was duidelijk dat deze tijdelijke stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die bij het sluiten van de overeenkomst waren betrokken. De met de handdruk overeenstemmende wil om de overeenkomst te bekrachtigen wordt dan geacht te ontbreken. Dit zorgt ervoor dat de rechtshandeling vernietigbaar is.
Uit het voorgaande volgt daarnaast dat de toestand van Y ten tijde van de handdruk voor B duidelijk kenbaar was. Aan de bv komt daarom geen beroep op artikel 3:35 BW toe. De exploitatie-bv heeft de vernietiging tijdig ingeroepen.